De Verbeelding. Bedrijfsgezondheid en Particulieren. Praktijk voor natuurlijke geneeswijzen.

 

Mist

prikkeldraad

wordt druppeldraad

 

 

 

 

Tovenaar

 

de ware tovenaar

weet

magie is

de afwezigheid

van willen

 

streeft

naar aanwezigheid

spiegelt

zo

de bron

 

 


Graal

 

eerst

het besef

van de kelk

loszingen

 

dan

de orde

ontvangen

en doorgeven

 

de kelk

tot graal verheven

 

 


Herfst

 

na een jaar

van

licht ontvangen

groei en bloei

noot en vrucht

 

looft het bos

de hoofdprijs uit

kleur en geur

als blad en winter vallen

 


 

 

 

 

 

Ik

ik pas precies in mijzelf

loodrecht

als een winkelhaak

ik pas precies in mijzelf

 

maar

ren rond in de wereld

op zoek

naar bevestiging

pas ik precies in mijzelf?

               

ik pas precies in mijzelf

als een winkelhaak

loodrecht

 

 


Alleen dit

 

alleen dit

de appel in mijn hand

dit mes, dit bordje

met keurige partjes

de hap in mijn mond

de smaak

tanden, bijten, kauwen

mijn wegvluchtende gedachten

Frankrijk, mailen,straks…..

 

alleen dit

mijn handen, mijn mond

met appel

alleen dit

lijkt al teveel gevraagd

alleen dit

 

 


 

Getuigen

 

al jaren

maar niet elk jaar

op een onbepaalde

droge dag

meestal zondag

komen ze

aangewandeld

keurig gekleed

volgens de voorlaatste mode

met leren tas

bellen

rond een uur of elf

aan

zo ook nu

een zaterdag

moeder en kind

aan de deur

het kind

zo’n elf jaar

neemt het woord

peilt vragend belangstelling

nee zeg ik, dank u wel

de vrouw met bepoederd

intelligent gezicht

verontschuldigt haar dochter

voor het twee keer aanbellen

dat geeft helemaal niks

zeg ik en voel compassie

succes verder

 

 

Stilte

Ik begeef mij

in de albasten stilte

van mijn witte steen

daar

heerst de tijdloze stilte

van zijn

geen verleden

geen toekomst

alleen

zijn

 

 

Naar de stad

 

Voel jij je ook eenzaam

Vroeg ze ‘s morgens

s’ Avonds dan maar naar de stad

De lage wilde wolken

Van onderen beschenen

 

Bloedstollend rood oranje

En

Hemelsblauw met witte strepen

Hier en daar een vliegende ster

 

Tranen stromen zonder schaamte

Hemelsmooi en stilstand tegelijk

Het is wel goed zo

 

 

Bos

 

Bomen

Gevulde stilte

Verende stille gang

Meeslepend gezang

Ademende lucht

Zwevende, zwervende stralen

Warrelende wiegende blaren

Duizendvoudige aanwezigheid, eenheid

Gevoelens, ogen, oren

Volmaakte kringloop zonder verlies

Schoonheid in wezen

Een met het Wezen

 

 

 


 

 

ik ben mij zelf

tot teken

ik ben mijzelf

tot lot

ik ben mijzelf

tot sleutel

 

ik ben mijzelf

tot slot

 

 


 

 

 

Woordvleugels

 

woorden

dwingen mij op vleugels te gaan

tot overzicht

van hoog eenvoudig verklaarbaar

zelfopgelegd labyrint

 

 

 

 

Gedicht

 

bergpad van woorden

passen en weten

uitzicht na inzicht

 

 

 

Stad

 

lente in mijn stad

weemoed om wat was

is

en worden kan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ik

 

een druppel

in een zee

van waarheid

 


Gedicht

 

woordfoto

gevangen gevoel

bevrijdt tot herinnering

 

 

 

 

 

 

 

Boerenkool

 

de boerenkool met dauw getooid

vertaalt het trage herfstzonlicht

bij ’t langsgaan in een lichtgedicht

dat in mijn ogen wordt verstrooid

 

 

 

 

 

Reiziger

 

Raamreizigers uitzicht

Haarscherp helder luchtlandschap

Witte wolken bergen

Traag transformerend onder blauw

 

 

 


zwarte merelvogel

weemoedige vooruitzang

van

morgen

lente zomer

avond

 

 

 

 

 

Dwars op de tijd

staat de eeuwigheid

van begin tot eind

wij, achter elkaar denkend

zodoende afgewend

hebben dit ontkend

 

 

 

 

 

Dichten

 

dichten

het najagen van wind

die vangen in mijn woorden netwerk

zwart op wit vastgenageld

 

Kijk eens pappa, mamma mooi hè

 

Ja jongen

De hemel

 

de hemel bevolkt

metalen vuurpijlen

strepen traag hun geluid voorbij

dagelijks de hemel af

Icarus vliegt van veld naar veld

het vuur bedwongen

de vrijheid beheerst

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

als wij spiegelen

God hemel aarde

toekomst heden nu

dan

zijn nieuwe wegen onontkoombaar

 

 

 

 


 

Voorjaar

de zich tijdloos herhalende

eenvoudig stralende

gele schoonheid

een wilg

in bloei

 

 

 

 

 

 

De man

Die wist dat hij Jezus was

Zo zeker

Dat anderen

Door gebrek hem volgden

 

Hij

Zo lichtgelovig

Gedragen door water

Vervolgd

Ging ten onder

Zijn weten hiermee ten grave dragend

 

 

 

 


 

 

De rivier

Begin en einde

verenigd

stroomt voort

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jaloers zag ik in de trein

Twee jonggeliefden in hun samenzijn

Zo helder zag ik zelden

Hoe schoon gebaren kunnen zijn

 

 

 

 

 

naast mij

roerloos nu

de hoorns vredig gebogen

mijn rank rendier

als altijd bereid

zich onvermoeibaar

mijn weg te laten opleggen

 


onlangs

werd ik geboren

overgedragen

aan de

aanvankelijk trage stroom

van zijn

mijn leven

de eeuwige oevers

bieden tijdelijk

rust en afstand

en verder

 

onlangs

zal ik gestorven zijn

 

 

 

 

 

oostenwind

de halm dirigeert

onvermoeibaar

 

 


de lage avondzon

tekent

met de gouden regen

een levend oud geel

schaduwschilderij

op het behang

 

 

 

 

 

 

 

 

ik

aards ten top

verhef mij ongenaakbaar

ervaar mijn zijn

tijdloos traag

als een droom

 

aeonen

suizend als seizoenen

strelen mijn hardheid

tot vruchtbare rondingen

waarin ik sluimerend verander

tot ik niet meer ben


sneeuw in april

ongerept en pril

die ik als eerste betreed

als eerste bereed

heeft na mijn sporen

haar maagdelijkheid verloren

 

 

 

 

 

 

de berg

verheft zich

op afroep

volmaakt

moeiteloos

uit mijn binnezee

 

leidt mij

telkens weer

al zinnenstrelend

langs ’t overworteld pad

tot grote hoogte

 

 


de bedstee was boven

achter het kierend gordijn

weet ik nog

het maanbestoven landschap

vaag loeiend de koe

zwevend als een baken in de mist

van herinnering

de kikkers zorgen kirrend

in kroos gesloten sloten

 

 

 

woorden

sluitend aaneengesloten

vormen

sleutels

van een hermetische werkelijkheid

voortgang


mijn Latijn is op

ik heb

geen andere taal

dit is het eind van een verhaal

een nieuw moet opgeschreven

worden bij het leven

dat zich niet houdt

aan de gebeden

geleend van het verleden

 

 

 

 

 

 

 

 

vanochtend vroeg

snelde in een oogwenk

het ruimteschip stilte van de tijd

geruisloos aan mij voorbij


 

 

 

 

 

 

 

 

door mijn open ogen

wakkert de warme wind

van vrouwelijk ronde vormen

het vuur van mijn verbeelding

aangenaam aan

 

 

 

 

 

 

ik zoek

de wet

het onomstotelijk bewijs

dat alles

omhoog moet vallen

aantonend

dat niets bewezen

is

 

 

 



ik in mijn stoel

het hart klopt

de voeten

op tafel

de kaars

de meubels

eromheen

de kachel

radio tv

op standby


treinen rijden

ik mee

bestemming als excuus

ondertussen

wiegen de rails

onontkoombaar doelmatig

 

de ogen

slapen lezen kijken

zien

een snelle film

van dagelijks buitenleven

 

 

 

 

 

 

 

dichter

bij

zichzelf

nauwsluitend

woorden wegend

met gevoel

 

 

 


de binnenkant verwerpt de buitenkant

 naar de schaar!

 

waakzaam wantrouwend

toont mijn spiegelbeeld

zijn vreemd vertrouwde kant

 

het onbewuste werpt zich

plots onrustig

om in z’n slaap

 

mijn wereld wankelt even

 

 

 

 

 

 

poëzie

 

de uitreikende hand

ontvangt

scheppende woorden

uit

zo zichzelf verhelderende bron


er hing een druppel aan een tak

souvenir van de regen

het waaide niet, de wind was mak

 

er hing een druppel aan een tak

die de aardkracht zwaar was toegenegen

maar had voor hangen ook een zwak

 

er hing een druppel aan een tak

souvenir van de regen

waarin het zonlicht splinterend brak

 

er hing een druppel aan een tak

lichtkleurenspel kwam dansend mijn ogen tegen

en sprak van wind, zon en regen

 

er hing een druppel aan een tak

souvenir van de regen

het waaide niet de wind was mak